De barbaren staken in 406 een bevroren Rijn over

Het Romeinse Rijk bleef niet eeuwig bestaan, al is niet precies duidelijk waardoor het in West-Europa verdween. Er wordt al een eeuw of twee, drie over gediscussieerd en het einde van het debat lijkt nog niet in zicht. Eén factor wordt echter steeds opnieuw genoemd: de invallen van barbaarse stammen. Die raakten weliswaar snel geassimileerd, maar de dreiging was van tijd tot tijd zeer reëel.

Zo staken op de laatste dag van 406 de Vandalen, Sueben en Alanen de Rijn over. Het Romeinse leger dat de grens had moeten verdedigen, was op dat moment niet op volle sterkte omdat veel troepen in Italië waren om te vechten tegen een andere groep barbaren, die al eerder een inval had gedaan. Een jaar later brak er tussen de Romeinen ook nog eens een burgeroorlog uit. De Vandalen, Sueben en Alanen konden vrijwel ongehinderd Gallië onder de voet lopen. Het was niet voor het eerst dat zoiets gebeurde, en ook dit keer herstelde Rome zijn gezag door de barbaren boerderijen te geven. Maar de verschillende stammen behielden hun eigen leiders, en hoewel die vrijwel altijd loyaal waren aan Rome, hadden de stammen een alternatief voor het keizerlijk bestuur. Rond 460 weigerden ze nog naar de keizer te luisteren en namen de leiders van de inmiddels volkomen geromaniseerde stammen de macht over. Een onrustige halve eeuw begon, die ermee eindigde dat de Franken Gallië overnamen, de Visigoten het Iberisch Schiereiland, de Vandalen de Magreb en de Ostrogoten Italië. Het West-Romeinse Rijk was ten onder gegaan en de Middeleeuwen waren begonnen.

Er is consensus over de hoofdlijn en vrijwel alle moderne auteurs vermelden het leuke detail dat de Rijn in december 406 was bedekt met ijs. Maar hoe weten we dat zo zeker? Het staat in elk geval niet vermeld in onze bronnen. Vermoedelijk is een beeldende beschrijving door de beroemde oudhistoricus Edward Gibbon de oorzaak van het misverstand. In 1781 schreef hij dat de stammen

‘op de laatste dag van het jaar, op een moment waarop de wateren van de Rijn zeer waarschijnlijk bevroren waren, zonder weerstand te ontmoeten de onverdedigde Gallische provincies binnenvielen’.

Het idee dat de stroom ’s winters zó volledig bevroor dat ze hele volksstammen kon dragen, lijkt Gibbon te hebben ontleend aan de Griekse auteur Herodianos:

‘In de winter vriest de Rijn door de koude dicht en is het alsof hij vaste grond vormt, die zelfs begaanbaar is voor ruiters. Wat eens een stro- mende rivier was, wordt zo stevig en hard dat het niet alleen paarden- hoeven en mensenvoeten kan houden, maar dat wie water wil halen geen kruik of ander leeg vaatwerk meeneemt, maar bijlen of hakmessen. Als ze het hebben uitgebikt, pakken ze het brok water alsof het een stuk steen is.’

Het verschijnsel wordt tevens genoemd in een toespraak uit de vroege vierde eeuw, die Gibbon ook gelezen kan hebben. In elk geval blijft het charmante detail onvermeld in de bronnen over de Rijnoversteek van 406.

[Wordt vervolgd]

Literatuur

Edward Gibbon, History of the Decline and Fall of the Roman Empire, hoofdstuk 30; Herodianos, Geschiedenis van het keizerrijk sinds Marcus 6.7.6-7.

Op de organisatie van die activiteiten valt niets aan te merken, maar dat is eigenlijk ook wat je verwacht. De kwaliteit van de inhoud spreekt niet altijd vanzelf, en bij Livius is die werkelijk uitstekend. Niet alleen krijg je heldere informatie, maar het wordt je ook duidelijk waarom iets waar is, en waarom soms ook niet. Voor mij heel waardevol.

Ypie Veenstra