Woestijnvader

Eerst even dit: ik ken de vertaler van Athanasius’ Antonius. Onsterfelijke icoon van de monnik, de Nijmeegse classicus Vincent Hunink, persoonlijk en heb met veel plezier met hem samengewerkt bij zijn vertaling van Velleius Paterculus' Romeinse geschiedenis. Het boekje waarover ik nu schrijf drukte hij me in de hand toen ik hem laatst even bezocht op zijn werk. Hartelijk als hij is, gaf hij me ook nog Tacitus’ Historiën mee en de tekst van een oude toespraak. Ik sta dus bij hem in het krijt, en u moet me maar vertrouwen dat het niet om die reden is dat ik schrijf dat dit een leuk boekje is.

Athanasius van Alexandrië (295-373) is een van de invloedrijkste denkers uit het christendom, en dat kwam vooral door zijn stellingname in een destijds actuele discussie over de vraag of Christus wezensgelijk was aan God de Vader of wezensgelijkend. (Voor de context van die discussie verwijs ik naar dit en dat stukje.) Terwijl de hele christelijke wereld koos voor wezensgelijkendheid, hamerde Athanasius als enige op het eerste, wat ertoe leidde dat vier keizers hem vijf keer in ballingschap stuurden, voor in totaal zeventien jaar. "Athanasius tegen de wereld" werd de gevleugelde uitdrukking om aan te geven dat iemand onverzettelijk zijn waarheid bleef verdedigen - in Athanasius' geval uiteindelijk met succes, al kwam het tegen een hoge prijs. Wat het voor iemand uit Alexandrië, hét intellectuele centrum van de Griekse wereld, betekende te worden verbannen naar een uithoek als Trier is niet overgeleverd.

Op een dag – Athanasius was voor de verandering in Alexandrië – kreeg hij van enkele buitenlandse monniken het verzoek om een biografie van de heilige Antonius (251-356!), de man die het heremietenbestaan weliswaar niet had uitgevonden, maar er wel op een beslissende manier vorm aan had gegeven. Athanasius had Antonius vaak gezien, schreef het heiligenleven en gaf nu de beslissende vorm aan een jong genre met een grote toekomst: het heiligenleven.

Biografieën waren er natuurlijk al. Het waren vooral morele projecten, zoals wel blijkt uit de inleiding die Ploutarchos aan zijn Leven van Alexander de Grote meegaf:

Ik ben geen geschiedschrijver maar biograaf, en deugden of ondeugden blijken niet altijd uit de meest opzienbarende daden. Een simpel feit, een uitspraak of een grap geven vaak een betere indruk van een karakter dan veldslagen met tienduizenden doden of de grootste legermachten of belegeringen van steden. Dus zoals schilders gelijkenissen ontlenen aan het gezicht en de uitdrukking van de ogen, waarin het karakter zichtbaar wordt, en heel weinig aandacht schenken aan de andere lichaamsdelen, zo moet men mij toestaan dat ik me vooral verdiep in de kentekens van de menselijke ziel en aan de hand daarvan een beeld geef van ieders leven, en hun grote daden en veldslagen aan anderen overlaat.

[vert. Hetty van Rooijen]

Athanasius deed hetzelfde, maar meende ook dat het karakter dat hij zichtbaar wilde maken, bij een heilige moest samenhangen met de leer die hij had uitgedragen. Die diende dus ook aan bod te komen, en dus wordt de tekst onderbroken door twee grote redevoeringen, waarin Antonius uitlegt wat het kluizenaarsleven behelst. Genezingen en wonderen moeten ook onderstrepen dat de heilige heel dicht bij God stond.

Het blijft moeilijk te begrijpen dat mensen – meest mannen, voor zover ik weet – zich in de woestijn terugtrokken om daar onder moeilijke omstandigheden te gaan leven. Antonius leefde bijvoorbeeld dertien jaar in een graf en migreerde op een bepaald moment van een redelijk toegankelijk stuk gebergte in het zuiden van Egypte naar een moeilijker te bereiken plaats. Ascese was ook geen origineel christelijk idee: al voor de christelijke “woestijnvaders” leefden in de buurt van Alexandrië de joodse Therapeuten en in het verre zuiden – niet ver van waar Antonius zou wonen – de Gymnosofisten, “de naakte wijzen”. Die laatsten worden alleen genoemd in een pythagorese tekst, PhilostratusLeven van Apollonius, en het is misschien geen toeval dat er wat pythagorese echo’s zijn in het Leven van Antonius.

Belangrijker is vermoedelijk de invloed van de christelijke denker Origenes, die van mening was dat een christen zijn lusten en aardse passies moest overwinnen om in zijn ziel ruimte te scheppen om te laten vullen door de liefde van God. Dit is een keurige christelijke gedachte, maar het past ook netjes in de klassieke traditie dat de ziel is als een tweespan dat wordt getrokken door een geil en een edel paard, die de ziel naar beneden en naar boven willen trekken. Ascese is geen specifiek-christelijk idee.

De asceet heeft het ondertussen niet gemakkelijk. De verlangens die hij als mens heeft, keren terug als visioenen. Als we Athanasius mogen geloven, zag Antonius voortdurend demonen. “De verzoeking van de heilige Antonius” zou dan ook een geliefd thema worden in de westerse schilderkunst – denk aan het Isenheimer Altaar van Matthias Grünewald, aan Michelangelo, aan Jeroen Bosch, Paul Cézanne, Félicien Rops, Charles Dollman, Salvador Dali en Max Ernst.

Wat doe je tegen demonenbezoek? Een groot deel van het eerste van Antonius’ twee grote betogen is gewijd aan de wijze waarop de eenzame heremiet ermee moet omgaan. Demonen zijn in elk geval machteloos, zegt Antonius, hoewel Athanasius – die hier blijkbaar geen tegenspraak in ziet – ook beschrijft hoe ze de heilige lichamelijk mishandelden.

De Vijand was bang dat Antonius de woestijn in korte tijd tot een stad van ascese zou maken. Op een nacht kwam hij binnen met een menigte demonen en tuigde Antonius zozeer af dat hij door die martelingen zijn stem kwijt was en op de grond bleef liggen. Nadien verzekerde hij dat de pijn zo intens was dat het onmogelijk om de klappen van mensen kon gaan. (8.2-3)

Uiteindelijk wist Antonius de strijd tegen zijn demonen te overwinnen. Door de komst en opstanding van Christus was de duivel immers verzwakt. In het eerste betoog legt Athanasius Antonius het volgende in de mond:

Op een keer klopte er iemand aan de deur van mijn kluis. Toen ik naar buiten kwam, zag ik een lange, rijzige gestalte. “Wie bent u?” vroeg ik. “Ik ben Satan”, was het antwoord. “Wat kom je hier doen?” vroeg ik daarna. Toen zei hij: “Waarom toch die onterechte kritiek op mij van die monniken en alle andere christenen? Waarom vervloeken ze mij voortdurend?” “Tja,” zei ik, “waarom val je ze dan ook lastig?” “Nee, niet ik doe dat,” zei hij weer. “Zij brengen zichzelf in verwarring, want ik, ik ben zwak geworden.” (41.1-2)

Het antwoord op de ingebeelde verleidingen bestond eruit dat heremieten bij elkaar in de buurt gingen wonen (“een stad van ascese”). Zo ontstonden de eerste kloosters.

De kluizen in de bergen waren nu als tenten vol goddelijk koren: men zong er psalmen, las de Schrift, vastte, bad, jubelde in de hoop op wat ging komen en werkte om aalmoezen te kunnen geven, in genegenheid en harmonie met elkaar. Je kon het werkelijk zien als een apart gebied van vroomheid en gerechtigheid. Want er waren geen mensen die onrecht leden, geen klachten over belastingontvangers, alleen een massa asceten, allemaal uitsluitend gericht op de deugd. (44.2-4)

Dit zal wel een utopie zijn, en dat is ook wel zo aardig aan de tekst: er zitten betogen in en dialogen, utopische stukjes en wonderverhalen, en incidenteel ook nog wat theologische discussies. Of Antonius, die vooral geobsedeerd lijkt te zijn geweest door demonen, zich werkelijk heeft bekreund om wezensgelijkheid of wezensgelijkendheid, staat echter te bezien. “De christologische formules die Athanasius Antonius in de mond legt, zijn identiek met de door hem zelf gebezigde terminologie,” is de droge typering die pater Michel Van Parys OSB ervan geeft in de verhelderende inleiding.

Een mooi boekje, dat ik met plezier heb gelezen.

Blijf bevlogen en enthousiast jullie kennis overdragen, want dat is een genoegen om mee te maken tijdens de Livius-reizen en -cursussen: waarbij de humor zeker niet vergeten wordt!!

Jeanna Iliohan