Romeins aardewerk

Troep

Vroeger was er geen vuilophaaldienst. Wie afval had, gooide dat uit het raam, in de greppel naast de boerderij, in het varkenskot, achter de stal, maar in ieder geval niet op enkele kilometers van de woonplek zoals nu. Je had wel wat beters te doen. Onbewust van microben en infectieziekten zag de mens vroeger in deze vorm van Entsorgung geen enkel probleem. We leefden op onze eigen vuilnisbelt. En dat is leuk, want daardoor kunnen we nu nog steeds onderzoek doen naar de plekken waar duizenden jaren geleden mensen woorden. Nooit heb ik mijn vak – de archeologie – beter samengevat gezien dan in de studentikoze boektitel: The how-to-dig-holes-in-alleged-junk-containing-soil-book.

Een echte archeoloog zal u een sjieker antwoord geven op de vraag wat hij doet. Archeologen bestuderen het menselijk verleden aan de hand van de materiële cultuur. Het menselijk verleden onderscheidt de archeoloog van de paleontoloog, die oude beesten bestudeert. De materiële cultuur onderscheidt hem van de historicus, die in geschreven bronnen doet. Materiële cultuur is op zijn beurt weer een sjiek woord voor de spullen die mensen maken. Dat kan letterlijk alles wezen: van gemeentehuizen en Chinese muren tot koffielepeltjes en veiligheidsspelden.

Wat mensen onbedoeld maken, kan ook onderwerp van onderzoek zijn: de veranderde samenstelling van het plantaardig leven rondom een boerendorp laat zijn sporen na in de in de bodem neergelagen stuifmeelkorrels. Geen prehistorische boer die daar ooit op gekomen is. Misschien dat hij wel eens aan zijn eigen afval heeft gedacht: ‘Als de één of andere idioot hier over tweehonderd jaar zijn schep in zet, heeft-ie echt géén idee!’

Dat afval is voor archeologen enorm belangrijk, omdat er veel van is, en omdat bepaalde typen afval het eeuwige leven hebben. Potscherven bijvoorbeeld, het breekt wel, maar het verdwijnt nauwelijks en een beetje materiaaldeskundige kan zelfs aan een potscherf ter grootte van een hondebrok nog zien uit welke tijd hij stamt. Want serviesgoed verandert. Dat heeft het altijd al gedaan.

Op de foto hierboven ziet u wat scherven die een collega van me de afgelopen weken uit de grond heeft gehaald in Katwijk, Zuid-Holland. Ik ben geen materiaaldeskundige, maar ik herken wel wat scherfjes Lowland Ware, terra sigillata, gladwandig en ruwwandig aardewerk. Dat is voor mij genoeg om te weten dat het een complex uit de Romeinse tijd betreft en een echte materiaalspecialist kan er waarschijnlijk een nog veel nauwkeuriger datering aan geven. Er bestaan aardewerksoorten die tot op vijf jaar nauwkeurig kunnen worden gedateerd, puur op stijlkenmerken. Dat is wel héél zeldzaam trouwens.

Op zichzelf interesseert het geen mens hoe oud die hondebrokken zijn, zelfs de archeoloog niet. Het was afval en het zou in principe nu nog steeds weggegooid kunnen worden. Niemand heeft er wat aan, geen mens wil het gaan bekijken in een museum en het is ook nog eens niks waard. Toch wordt het niet weggegooid en daar is een goede reden voor: de potscherf dateert niet alleen zichzelf, hij dateert ook het gat waarin hij gevonden is.

Elk gat dat de mens graaft, een greppel, een waterput, een voorraadkuil, stort eens weer dicht en afval dat aan de oppervlakte ligt, kom dan in zo’n gat terecht. Soms wordt afval expres in zo’n gat geschoven. De houten palen van een boerderij die in de grond zijn ingegraven, rotten langzaam weg. Het hout dat geleidelijk verdwijnt, wordt langzaam aangevuld met grond die in het gat zakt. Die grond neemt afval van de oppervlakte mee het gat in.

En een paar duizend jaar later is dat gat nog steeds te zien in de grond. De man die dat ontdekte, sprak de woorden: Nichts ist dauerhafter als ein Loch. Grond kun je nooit exact terugstorten en tussen ongestoorde grond en een oud gat is altijd wel een miniem tot magistraal verschil in kleur of samenstelling te zien. Dan komt er een archeoloog met zijn grote schep, haalt uit die greppel of dat paalgat een paar onooglijke potscherven en weet dan: deze boerderij moet in de Romeinse tijd zijn gebouwd, maar die greppel is uit de Late IJzertijd en die waterput is Middeleeuws.

Die hondebrokken vertellen nog meer. Het aardewerk dat ik hierboven aanduidde met terra sigillata werd op industriële schaal vervaardigd op een paar plekken in Europa. Productiecentra waar waarschijnlijk maar één of twee keer per jaar een oven werd gebrand, die dan meteen enkele honderdduizenden stuks vaatwerk bevatte. Dat weten we omdat we enkele van die fabrieken hebben opgegraven.

Je kunt in Nederland terra sigillata vinden die in Italië, Zuid-Frankrijk en Noord-Afrika is geproduceerd en in de rest van Europa is het al niet anders. Ander aardewerk werd meer lokaal geproduceerd, maar ook dat kan handelsnetwerken blootleggen. In het geval van terra sigillata kennen we zelfs honderden namen van fabrikanten, want die hadden de gewoonte die in hun producten te stempelen. Vandaar ook de naam terra sigillata: ‘gezegelde aarde’.

Hoe onooglijk een potscherf ook is: hij zegt iets over de context waarin hij gevonden is, en daarom worden al die hondebrokken die bij opgravingen of in boringen worden aangetroffen ook netjes gedocumenteerd, gewassen, beschreven, gedateerd, gewogen, in zakjes gestopt met een kaartje erbij en samen met de onderzoeksdocumentatie in – zuurvrije – kartonnen dozen gestopt en opgeslagen in klimaatbeheerste gemeentelijke en provinciale depots. Datzelfde geldt voor alle andere voorwerpen als veiligheidsspelden, koffielepeltjes, urnen, watertonnen, kano’s, heipalen, alles wat zo mooi onder de term mobilia kan vallen.

In die depots ligt alle onooglijks en minder onooglijks te wachten op het moment dat alle archeologen als een soort Walhalla voor ogen staat: Later. Want Later – zo heet het onder vakgenoten – zullen onze toekomstige collega’s met andere ogen, met nieuwe vragen en vooral: met betere technieken kunnen kijken naar oude vindplaatsen. Willen die nieuwe vragen en betere technieken echter ook nieuwe antwoorden en mooiere resultaten kunnen opleveren, dan zal wat wij nu uit de grond hebben geschept Later nog steeds beschikbaar moeten zijn.

Bij dat ‘Later’ moet u zich trouwens niet de verre utopische toekomst voorstellen die ik hierboven schetste. Wereldwijd houden archeologen zich met allerlei vragen over het verleden bezig en dat betekent dat er regelmatig een archeoloog – soms uit het buitenland – met een nog niet eerder gestelde vraag onder de arm komt kijken naar het vondstmateriaal van een type vindplaats waarin hij is geïnteresseerd.

Zo ken ik een archeologe die aan de hand van de schoenmaatverdeling van de lederen zolen uit Romeinse legerkampen (gááp!) wist aan te tonen dat er in die legerkampen ook vrouwen en kinderen woonden. En dat was een kleine revolutie, want iedereen ‘weet’ dat Romeinse soldaten niet mochten trouwen en bijgevolg stellen we ons bij een Romeins legerkamp ook een kazerne vol met uitsluitend mannen voor. Niets is minder waar: soldaten hadden vrouwen en kinderen in het kamp en namen die waarschijnlijk ook mee als hun legeronderdeel werd overgeplaatst. De kazerne bleek een dorp.

Neemt u van mij aan: een Romeinse lederen schoenzool is het aankijken nog niet waard. Maar juist omdat er af en toe een archeoloog is om al die hondebrokken tot een verhaal over het verleden van een plek terug te knutselen, staan er dus her en der in Nederland enorme depots vol met kartonnen dozen met – soms zorgvuldig geconserveerde – archeologische vondsten waar anders geen normaal mens zich ooit voor zou interesseren. Als die prehistorische boer zijn keurig gedocumenteerde en netjes opgestapelde vuilnisbelt terug zou zien, hij zou zich rotlachen.

De lezingen en cursussen van Livius-onderwijs bieden mij de mogelijkheid uitgebreid kennis te nemen van onderwerpen die mij wel bekend zijn, maar waarin ik mij niet in eerste instantie op eigen initiatief heb verdiept.  Het volgen ervan zet nu aan tot verdere studie. Ook de studiereizen van Livius-onderwijs dienen dat doel.

Kees Tol