De kothon van Motya

Kothon

In het westen van Sicilië ligt, in een grote lagune, het eilandje San Pantaleone ofwel Motya. Het gehele oppervlak wordt ingenomen door de ruïnes van een grote en redelijk bewaarde Fenicische stad. Je ziet hier meer van de cultuur van dat zeevaardersvolk dan in zijn thuisland Libanon. Het is ook een van de mooiste mij bekende opgravingen: je waant je er in een enorme, verwilderde tuin.

Aan de zuidelijke kust ligt de zogeheten “kothon”, die ik nu even zal omschrijven als een vierhoekig, door mensen gemaakt waterbassin dat in contact staat met de zee. Het meet zo’n veertig bij vijftig meter. De vraag is: wat is dit van vijver?

Archeologie is een interpretatieve wetenschap: je vindt een voorwerp en moet maar zien vast te stellen wat het is. Teksten kunnen daarbij helpen, maar als je die niet hebt, kan het lastig worden. Je zult dan moeten kijken of soortgelijke voorwerpen elders zijn gevonden, in een context waar wel duidelijk werd wat het was. Dat leek het geval te zijn met de vijver in Motya.

In Karthago, aan de andere kant van de Middellandse Zee, is namelijk net zo’n vierkant bassin gevonden en we weten dat het daar werd aangeduid als “kothon”. Dat was een handelshaven en dus werd aangenomen dat het vierhoekige bassin in Motya ook een haven was. Wel wat klein, maar misschien was het een dok om schepen op te kalefateren.

Het was een interpretatie met wat moeilijkheden. Zo was de ingang bijvoorbeeld aan de smalle kant. Het was echter een interpretatie die althans werd ondersteund door een vergelijking. Dat was meer dan je kon zeggen van andere hypotheses. Natuurlijk kan de vijver hebben gediend om gevangen vis een tijdje in leven te laten, maar een poel met zulke afmetingen, zo precies vierhoekig, met een dure natuurstenen muur is nergens anders opgegraven.

Als ik me goed herinner, heb ik tien jaar geleden archeologen aan het werk gezien, maar ik heb ze niet gevraagd wat ze op het spoor waren. (Elke archeoloog zal u hardop zeggen dat het een voorrecht is bezoekers te mogen ontvangen, want je werkt toch voor de burger, maar in de praktijk bevordert zo’n bezoek de werkzaamheden niet.) Donderdag ontdekte ik het alsnog: naast het rechthoekige bassin zijn twee heiligdommen opgegraven, aan de overkant ligt nog een ongeïdentificeerd bouwwerk. De drie monumenten en de vijver zijn omgeven door een stevige, ronde muur.

De vergelijking met de kothon in Karthaagse is dus misleidend gebleken en we moeten de vijver nu accepteren als een religieus waterbassin. Dat roept echter meteen een nieuwe vraag op: wie werden hier vereerd? Een van de goden lijkt de Fenicische liefdesgodin Astarte te zijn geweest, maar de andere, grootste tempel is niet te identificeren. Er zijn in dit heiligdom obelisken gevonden en er lijken twee cultusruimtes te zijn geweest, maar we kennen niet een Fenicische of Griekse godheid die met een tempel-met-bassin werd vereerd.

Eerste conclusie: hoeveel archeologische identificaties zijn nu eigenlijk goed? Dat weten we niet. Er zijn volop voorbeelden bekend van vondsten die niet bleken te zijn wat we dachten, maar meta-analyses (waarbij onverdachte identificaties worden getoetst aan de inzichten van nu) ontbreken. Archeologen zijn, voor wetenschappers, eigenlijk verschrikkelijk goedgelovig.

Tweede conclusie: zoals altijd betekent het oplossen van het ene raadsel alleen dat zich een nieuw raadsel openbaart. Dat is waarom de oudheidkunde zo’n leuk vak is.

Op de organisatie van die activiteiten valt niets aan te merken, maar dat is eigenlijk ook wat je verwacht. De kwaliteit van de inhoud spreekt niet altijd vanzelf, en bij Livius is die werkelijk uitstekend. Niet alleen krijg je heldere informatie, maar het wordt je ook duidelijk waarom iets waar is, en waarom soms ook niet. Voor mij heel waardevol.

Ypie Veenstra