Een dertiende-eeuwse Koran

Hoe oud is de Koran?

Koranblad uit SanaaEind jaren zeventig schreef de Amerikaanse historicus John Wansborough het boek ‘Quranic Studies’, waarin hij betoogde dat de koran in de vorm zoals we die nu kennen, samengesteld was in de negende eeuw, ruim twee eeuwen na de dood van Mohammed. De vroege islam zou dus nog geen koran of in ieder geval geen koran hebben gehad die af was. Zijn boek heeft geleid tot nogal wat navolging, voornamelijk vanwege de nieuwe methoden die hij toepaste op de koran: methoden die gangbaar waren in het onderzoek naar de geschiedenis van antieke teksten en theologische gereedschappen om de betekenis en functie van religieuze teksten te achterhalen. Die methoden worden nog steeds toegepast en uitgedragen door wetenschappers als een nieuwe en vruchtbare weg van koranonderzoek, ook nu we weten dat Wansboroughs datering onjuist is.

Daarnaast was er ook veel kritiek, vooral uit islamitische hoek en vooral over die datering. Een koran uit de negende eeuw spreekt namelijk alles wat moslims geloven tegen. Niet alleen zou daarmee het directe verband tussen de openbaringen van Mohammed en de optekening ervan op losse schroeven komen te staan, ook wat binnen de islam bekend is over hoe de koran tot stand gekomen is, is niet te rijmen met een datering in de negende eeuw.

Doorgaans geloven moslims dat er maar één koran is, die niet alleen senkrecht von oben is nedergedaald, maar daarna ook in slechts één versie is overgeleverd, zonder afwijkingen en in opperste staat van betrouwbaarheid, tot op de huidige dag. Die betrouwbare tekstoverlevering wordt ervaren als een sterk contrast met de tekstoverlevering van de bijbel die – zoals algemeen bekend – een nogal bewogen geschiedenis heeft. Menig westerse geleerde die in het Midden Oosten op zoek was naar oude manuscripten van de koran is wel eens op onbegrip gestuit: waarom oude korans zoeken als je om de hoek bij de boekhandel een gloednieuw exemplaar kon kopen?

Wansborough sprak die geloofsovertuiging tegen, maar raakte ook een open zenuw. Want moslims weten zelf ook dat het verhaal dat ik in de vorige alinea schreef, enige nuance behoeft. Zo is het niet moeilijk om in de islamitische traditie de bewering te vinden dat de koran is geopenbaard in zeven ahruf, letterlijk: ‘letters’. Wat daarmee wordt bedoeld? Meestal houden moslims het op ‘dialecten’, van de verschillende Arabische stammen, maar wie de islamitische literatuur over die vraag bekijkt, komt er al snel achter dat er tientallen verklaringen zijn. We weten het dus gewoon niet.

Zelfs over de vraag of van die ahruf er nu nog maar één over is, of dat ze alle zeven nog gevonden kunnen worden, is men het niet eens. Bovendien bestaan er van de koran ook nog qira’at, doorgaans vertaald met ‘reciteerwijzen’. Daar zijn er zeker twintig van en de onderlinge verschillen tussen die twintig belopen rond de 30.000 tekstvariaties. Professionele islambashers, meestal van christelijke huize, hebben er groot plezier in die variaties op te sporen en te publiceren op het internet en de meest sprekende voorbeelden zijn dan ook eenvoudig te vinden.

Voor de minder in het oog lopende voorbeelden heb je specialistische literatuur nodig. Ik weet dat het aantal varianten in de 30.000 loopt omdat ik dat een keer heb gelezen over het vijfdelige standaardwerk, dat in Koeweit is uitgegeven. Een handzamer naslagwerk heb ik ooit zelf gekocht, in Teheran. Studie van qira’at is een gewoon onderdeel van de islamitische theologische opleiding en zelfs niet-theologisch geschoolde moslims weten ervan: er is één koran, maar in meerdere reciteerwijzen.

Want in werkelijkheid zijn die 30.000 onderlinge verschillen helemaal niet zo imposant. Het leeuwendeel betreft verschillende spellingsconventies, heel soms wordt een ander voegwoord of partikel gebruikt en in zeer zeldzame gevallen staat ergens een synoniem. Ik ken slechts drie voorbeelden – er zijn er vast meer – van passages waar naast de woorden, ook de betekenis van de tekst iets verschilt. Maar geen moslim ligt wakker van de vraag of God nu de Koning, dan wel de Eigenaar van de Oordeelsdag is als hij soerat al-Fatiha bidt.

Toch wijzen die qira’at wel degelijk op een zekere geschiedenis. Die twintig zijn namelijk alleen de canonieke, erkende reciteerwijzen. Er zijn er meer bekend en in de islamitische literatuur zijn daarnaast vele citaten te vinden van passages die afwijken van de erkende teksten. Vaak zijn dat citaten uit korans die in het bezit zouden zijn geweest van directe volgelingen van Mohammed. Die exemplaren zouden uiteindelijk verloren zijn gegaan tijdens één van de meest ingrijpende hervormingen waar de islamitische traditie herinneringen aan bewaart: het vaststellen van een standaard tekst van de koran onder de derde kalief Uthman (644-656) ten koste van alle andere teksten, die moesten worden verbrand.

Het lijkt er nu op dat er één tekst gevonden is die mogelijk in dat verhaal kan passen. Het gaat om de ‘ondertekst’ van een palimpsest. Dat is perkament dat is hergebruikt door de oude tekst – de ondertekst – weg te krabben en er een nieuwe overheen te schrijven. Zo’n ondertekst kan weer leesbaar gemaakt worden. De palimpsest is in de jaren zeventig gevonden in Sanaa, de hoofdstad van Jemen, en inmiddels (2012) integraal gepubliceerd door twee – ik vermoed – Iraanse moslims: Behnam Sadeghi en Mohsen Goudarzi.

In tegenstelling tot wat veel mensen denken, doen er namelijk ook moslims mee in het onderzoek ‘aan westerse kant’. Sadeghi en Goudarzi hebben zich van hun taak uitstekend gekweten, beter dan eerdere (deel)publicaties van het manuscript door westerse, maar revisionistische wetenschappers, die bovendien bovenop hun microfilms van het manuscript blijven zitten.

De ondertekst van het door Sadeghi en Goudarzi gepubliceerde palimpsest is overduidelijk een korantekst, maar zó verschillend van wat we al kennen, dat het hier wel moet gaan om een tekst die buiten de traditie valt waaruit de standaard van Uthman is voortgekomen. Sommige tekstvarianten komen overeen met die we al uit de literatuur kennen, andere zijn volkomen nieuw. Zij menen dan ook dat we een tekst te pakken hebben van een vroege volgeling van Mohammed. Dat is natuurlijk niet onmogelijk, maar het hoeft niet.

Het palimpsest is gedateerd met behulp van de koolstofmethode: 1407 BP ± 36. De doorzetters onder de lezers van dit blog weten dat zo´n datering moet worden gecalibreerd. Dat levert de volgende cijfers op: 614-656 cal AD bij en 578-669 cal AD bij . Er bestaat dus 68% kans dat het perkament uit de periode 614-656 stamt en 95% dat het uit de periode 578-669 komt. De datering is uitgevoerd door een lab met een uitstekende reputatie en is conform de regelen der kunst gecorrigeerd voor isotoopfractionering. Niks raars aan de hand dus en de conclusie is onvermijdelijk: dit is een korantekst uit de zevende eeuw.

Althans, daar lijkt het sterk op. Want wie de cijfers heel goed bekijkt, kan ze alsnog gaan interpreteren. Sadeghi en Goudarzi doen dat door de datering anders te publiceren dan gebruikelijk:

More precision may be obtained by radiocarbon dating, which assigns the parchment, and hence the lower codex, to the period before AD 671 with a probability of 99% (before 661 with the probability of 95.5%, and before 646 with a probability of 75%).

Het doel van deze weergave is duidelijk: aangeven dat dit manuscript niet alleen zeer oud is, maar ook dat hij wel moet stammen uit de periode voor of rond de standaardisering van kalief Uthman. Er wordt met andere woorden gezocht naar aansluiting bij het traditionele islamitische verhaal, zoals dat uit bronnen van enkele eeuwen later kan worden gehaald.

Dat is echter niet de enige mogelijkheid: de kans dat het manuscript uit de periode 578-610 komt is weliswaar kleiner, maar nog steeds zeer reëel. Dat is de periode waarin Mohammed nog helemaal geen openbaringen ontvangen had volgens datzelfde traditionele verhaal. Een volledig alternatief idee wordt door deze koolstofdatering niet weersproken: de koran zou wel eens ouder kunnen zijn dan de islam of het optreden van Mohammed.

Dat idee is al eens geopperd, onder andere op basis van het gegeven dat we het Arabisch uit de vroeg-islamitische periode prima begrijpen, maar dat het Arabisch van de koran ons voor grote problemen stelt. Zou het een eerdere – minder goed begrepen – taalfase kunnen weergeven? Dat is circumstantial evidence, er is geen direct bewijs dat de koran ouder is dan we denken. Daarvoor is de vondst van een nóg ouder manuscript noodzakelijk, of een citaat bij een schrijver uit een oudere periode, wat dan natuurlijk geen interpolatie mag zijn. Dat is echter niet voorhanden.

De koolstofmethode is in ieder geval niet precies genoeg om een zevende eeuws manuscript te koppelen aan een tot op het decennium nauwkeurig gedateerde historische gebeurtenis. Maar we weten nu wel zeker dat er ten minste één alternatieve teksttraditie méér is geweest naast de traditie waaruit de standaard van Uthman is voortgekomen en dat verhaal kan – bij de vondst van meer manuscripten – alleen maar spannender worden.

Getagged: Koran, Islam

Ik heb nog nooit een reis gemaakt waarop ik zo vaak hoorde "dat weten we niet". Daarna kregen we dan een uitleg over wat we konden weten en wat we niet konden weten. Ik heb nog nooit een reis gemaakt waarop ik zoveel heb geleerd.

Marjan Janssen