De schat van Heers

Autonecrologie

Een obsceen grote beker en een goede fles champagne: dat is de prijs die ik kreeg van OBA Live, het TV-programma waarmee de Openbare Bibliotheek Amsterdam op SALTO 1 een bijdrage wil leveren aan het maatschappelijk debat. Ik werd in het zonnetje gezet om mijn “publicaties over het belang van het klassieke erfgoed” en mijn “strijd tegen de verschraling van onze cultuur”. De onderscheiding heet de Theodor, naar presentator Theodor Holman.

Als je een soort wereldcup krijgt die is vernoemd naar degene die haar uitreikt, is er uiteraard een fors element van ironie aanwezig. Zoals ik het heb begrepen was het vooral de bedoeling de nieuwscyclus eens te breken, waarin de aandacht doorgaans gaat naar dingen die actualiteit hebben, terwijl er op de achtergrond ook andere interessante dingen gebeuren. Dit dwingt je als “laureaat” voor jezelf op papier te zetten wát je dan eigenlijk aan interessants te melden hebt. Misschien kwam het doordat mijn vader onlangs is overleden, maar toen ik wat punten opschreef, moest ik denken aan een grafrede waarin iemand samenvat waar de overledene voor stond. Bij dezen dus: mijn autonecrologie, puntsgewijs.

De humaniora

  1. In essentie zijn de humaniora een pedagogisch programma. Of je nu geschiedenis bestudeert of literatuur in een vreemde taal, je leert je eigen inzichten relativeren. De humaniora maken de mens rijker door hem te beroven van vooroordelen.
  2. Deze pedagogische essentie betekent dat de humaniora, meer dan andere wetenschappen, hun inzichten met de samenleving dienen te delen. De overdracht is het doel van het wetenschappelijk proces, dat begint met onderzoek en zijn voltooiing vindt als de resultaten bij de burger komen.
  3. De nadruk die aan de hedendaagse universiteit wordt gelegd op het onderzoek is ten koste gegaan van precies datgene wat de humaniora zo belangrijk maakt: hun pedagogische missie. Het modieuze woord “geesteswetenschappen” verwijst naar humaniora die zijn ontdaan van hun essentie.

Scepsis

  1. We naderen het moment waarop de helft van de schoolverlaters een hogere opleiding heeft en in staat is een wetenschappelijke redenering te begrijpen. Dit betekent dat ze ook kritisch kunnen zijn. Omdat de opleidingen zijn bekort en wetenschappers steeds specialistischer zijn, neemt de kans toe dat een burger een fout herkent. Het gevolg is groeiende scepsis.
  2. Deze scepsis wordt bevorderd door het informatieoveraanbod, dat mensen dwingt tot selecteren. Ze zullen die informatie kiezen die past bij hun vooroordelen. Juist nu zijn de humaniora belangrijker dan ooit, maar ze hebben zich – enkele goede initiatieven niet te na gesproken – teruggetrokken in het onderzoek.
  3. De steeds opvallender scepsis over de wetenschap slaat weliswaar door – de lezers van deze kleine blog kennen de Nijmeegse aquaductenaffaire – maar kan daarom nog niet worden genegeerd.

De Oudheid uitleggen

  1. Een professionele wetenschapsvoorlichting erkent dat de wetenschap één “zender” onder vele is en daarom het beste kan tonen wat haar meerwaarde is. (Wetenschap is niet “ook maar een mening” maar een betere mening.) Deze meerwaarde tonen we door het wetenschappelijk bedrijf uit te leggen en aan te geven waarom de wetenschappelijke methode werkelijk de meest redelijke is.
  2. Een goede voorlichting kent daarom minimaal twee niveaus: het presenteren van de feiten en uitleg van de methode.
    1. Het eerste gebeurt in de oudheidkunde heel slecht. Zo’n twee vijfde van de persberichten bevat onjuistheden waarvan we redelijkerwijs mogen aannemen dat de betrokken onderzoekers die herkenden (vergelijk). Denk hierbij aan de overdrijvingen rond Amfipolis, de recente claims over onbekende kamers in het graf van Toetanchamon of het ijzerenheinig ontkennen dat het Evangelie van de Vrouw van Jezus een vervalsing was. Boeken van populaire auteurs als Fik Meijer en Maarten van Rossem zijn beneden het niveau dat we van een academicus mogen verwachten (1, 2, 3). Afgezien van de persoonlijke sites van individuele onderzoekers, laten oudheidkundigen het internet vrijwel onbenut.
    2. Het tweede niveau blijft in de oudheidkundige disciplines achterwege. Er is domweg geen enkele uitleg van datgene wat ze tot wetenschap maakt.
  3. Omdat er altijd mensen zullen zijn die de wetenschappelijke conclusie niet willen aanvaarden, is er nog een derde niveau: achterhalen welke bezorgdheid mensen ervan weerhoudt te luisteren. Dat betekent dat de wetenschapper zich moet verdiepen in doorgaans irrationele angsten – en daar zijn wetenschappers slecht in.

Bad information drives out good

  1. Een belangrijke handicap is dat slechte informatie goede informatie verdrijft. Dit komt deels doordat wetenschappelijke informatie op betaalsites ligt en slechte gratis is.
  2. Het gebeurt ook doordat het boekenvak alleen kan renderen door het aanbod te versmallen: met het circus rond literaire prijzen en eindejaarslijstjes wordt de aandacht van de lezers beperkt tot enkele titels terwijl er ook steeds wordt ingezet op dezelfde celebrities. Een flutboek van een celebrity kan daardoor een goed boek van een kenner uit de markt duwen. Dit zou niet zo erg zijn als de lezer via zo’n celebrity-boek zou kunnen doorgaan naar betere boeken, maar de celebrity maakt nu net de betere boeken op het eerste niveau onverkoopbaar terwijl boeken op het tweede niveau er dus niet zijn.

De toekomst

  1. Het valt de universiteiten, die via de eerste geldstroom worden gefinancierd om informatie over te dragen, aan te rekenen dat ze niets deden om de voorlichting te professionaliseren. Als er pogingen zijn gedaan de twee hierboven beschreven mechanismes waarmee “bad information drives out good” te doorbreken, zijn die pogingen goed verborgen gehouden. Twintig jaar na de “thousand days that built the future” schitteren de oudheidkundige wetenschappen op het internet door afwezigheid, bestaat er geen systeem om adequaat te reageren als er weer een kwakhistorisch verhaal in de krant staat en moet ik degenen die willen weten wat de hermeneutische methode is, doorverwijzen naar de theologen.
  2. Zo dragen de universiteit, waar de humaniora zijn verschraald tot geesteswetenschap, en de boekenbranche, die niet goed raad weet met het brede aanbod dat noodzakelijk is om de humaniora te laten bloeien, bij aan de versmalling van onze cultuur. Dit tweetal is des te gevaarlijker omdat het zich presenteert als verdedigers van onze cultuur. De musea, individuele onderzoekers die lezingen verzorgen en re-enactors die demonstraties geven, doen nog steeds hun best, maar in een klimaat waarin bad information drives out good worden zij weggeschreeuwd.
  3. Als de geesteswetenschappen worden opgeheven, zal niemand het merken. Wat belangrijk was, is in de loop van de afgelopen dertig jaar immers al prijsgegeven. De enige manier om de humaniora te laten overleven is als de universiteiten weer datgene gaan doen wat ze de burger verschuldigd zijn.

Over mijzelf

  1. Ik beoefen alle drie niveaus: het eerste met cursussen, tijdens reizen, op mijn kleine blog, als publicist, met een nieuwsbrief en in Ancient History Magazine (neem een abonnement!); het tweede met mijn methodenboek De klad in de klassieken en enkele blogstukjes; het derde met persoonlijke gesprekken. Daarnaast ben ik bestuurslid van RomeinenNU en adviseer ik redacties.
  2. Ik zou mijn werk beter kunnen doen als de universiteiten het hunne beter deden. Ik zou graag weer enthousiast willen kunnen zijn over mijn vak en mensen gewoon kunnen vertellen over interessante en leuke nieuwe inzichten.

Onderwijs kan ook leuk zijn en populairwetenschappelijke boeken kunnen spannend zijn als romans. Het is moeilijk een groep zo enthousiaste en getalenteerde mensen te vinden als de bende informatiejunkies van Livius.

Edith van den Berg